Het gaat niet

‘Ik denk dat het beter is als je even met iemand gaat praten’, zei de vrouw. Ze stond op van haar bureaustoel en opende de deur van het glazen ‘hok’ waar ze in zat. Ik werd naar een andere vrouw gebracht, zette me neer op de stoel die er stond en begon te huilen. Er werden vragen gesteld. Wat ze wel en niet mochten weten. Eigenlijk wilde ik dat iedereen wist wat er met me aan de hand was, maar tegelijkertijd ook weer niet. Ik wilde mensen niet teleurstellen. Ze zeggen wel dat ik dat niet doe, maar toch blijft dat gevoel. De weken gingen voorbij en eens in de week kwam ik op gesprek. Alles wat ik me op kwam en waarvan ik dacht dat het wel oke was dat ze het zou weten, vertelde ik haar. Het luchtte op. Ze was aardig en deed haar best op me te begrijpen, maar niemand zou me kunnen begrijpen. Niemand heeft immers dezelfde gedachten en dezelfde gebeurtenissen meegemaakt. Niemand begrijpt niemand echt. Dat kan gewoon niet. Ze zeggen het wel, maar dat zijn meer woorden uit steun. Zo van: ik wil je helpen maar ik weet niet hoe.

Ik kreeg flashbacks.

Overal slangetjes. Het gepiep van de hartmonitor. Iets klemde om mijn vinger. Iets wat mijn zuurstof gehalte zou meten. Ze duwde een spiegel in mijn hand, ik moest mijn haar proberen te kammen. Ik durfde niet in de spiegel te kijken. Toen ik uiteindelijk in de spiegel keek, zag ik mijzelf niet. Ik zag een gebroken meisje dat zichzelf bijna had verloren. Er bijna niet meer geweest zou zijn. Een meisje dat bang was en is. Bang om zichzelf weer bijna te verliezen of om zichzelf daadwerkelijk te verliezen. Een meisje dat boos is. Boos op zichzelf, dat ze zo dom was geweest om de pil te nemen. Dat het zoiets haar moest overkomen.

Een zwarte oorlel. Ogen die niet meer sparkelen. Er leek geen leven meer in haar te zitten. En zo voelde ik mij ook. Ik voelde mij leeg. Ik voelde niets. Of misschien voelde ik wel teveel. Ik was gedoofd.

‘Frau.. können Sie mir hören?’ hoorde ik naast mij. Een paar wazige vlekken die zich langzaam voort bewogen. Het zou een groep artsen moeten zijn die naast mij een coma patiënte onderzochten. Nog meer bijna dood. De geur om mij heen kon ik niet verdragen. Een zure geur. Een stank geur. Urine. Uitwerpselen. Steriel. Ziekenhuis geur. Alweer een ziekenhuis geur.

Ik kreeg korte flashbacks naar vroeger.

Ik stelde mij een beeld voor bij de verhalen die mij altijd verteld werden van de ziekenhuis opnames van mij. Dansend met veertig graden koorts op het bed, met een infuus in haar arm. Als een klein meisje met haar knuffel en koffertje onder haar arm, lopend naar de klapdeuren van de kinderafdeling. De zuster die naar mij toe gekomen zou zijn, om te vragen waar ik naar toe wou.

Naar huis.

Ik wou naar huis. Maar ook weer niet. Ik wou niet terug naar de plek waar deze ellende allemaal gebeurd was. Mijn veilige omgeving was veranderd in een hel met overal herinneringen aan die vreselijke nacht.

De flashbacks gingen weg en ik kwam weer in de realiteit terecht. “Gaat het?” vroeg de vrouw. “Ja” zei ik, en ik glimlachte. Maar het ging niet.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s